Kinderen herkennen intenties in menselijke blik, maar niet in die van robots
Peuters en kleuters kunnen verrassend goed afleiden wat iemand denkt of wil op basis van diens blik. Bij een mens begrijpen kinderen vaak direct dat iemand belangstelling heeft voor een object waarnaar gekeken wordt. Bij humanoïde robots werkt dat echter heel anders.
Onderzoekers uit Italië en Japan onderzochten hoe kinderen van drie tot vijf jaar reageren op de blik van mensen en robots. Tijdens het experiment kregen de kinderen video’s te zien waarin een persoon of een mensachtige robot naar één van twee voorwerpen keek. Daarna werd gevraagd welk voorwerp volgens hen de voorkeur had van degene die keek.
De resultaten waren duidelijk. Wanneer een mens naar een object keek, concludeerden kinderen meestal dat die persoon dat voorwerp leuk vond of verkoos. Bij een robot maakten ze die koppeling veel minder vaak. Hoewel de kinderen wel zagen waar de robot naar keek, schreven ze daar geen duidelijke bedoeling of voorkeur aan toe.
Volgens de onderzoekers laat dit zien dat jonge kinderen menselijke blikken interpreteren als betekenisvolle sociale signalen. Ze gaan ervan uit dat er achter de blik gedachten, wensen of intenties schuilgaan. Bij een robot ontstaat die aanname veel minder vanzelfsprekend.
Opvallend genoeg beïnvloedde de blik van zowel mensen als robots de eigen voorkeur van de kinderen niet. De kinderen konden dus wel inschatten wat een ander waarschijnlijk leuk vond, maar namen die voorkeur niet automatisch over.
De onderzoekers denken dat dit belangrijke gevolgen heeft voor de ontwikkeling van sociale en educatieve robots. Een robot die alleen menselijke oogbewegingen nabootst, wordt door jonge kinderen nog niet gezien als een volwaardige gesprekspartner. Om echt natuurlijk over te komen zijn waarschijnlijk rijkere vormen van interactie nodig, zoals taal, gebaren, wederkerigheid en een gevoel van gezamenlijke aandacht.
Onderzoekers uit Italië en Japan onderzochten hoe kinderen van drie tot vijf jaar reageren op de blik van mensen en robots. Tijdens het experiment kregen de kinderen video’s te zien waarin een persoon of een mensachtige robot naar één van twee voorwerpen keek. Daarna werd gevraagd welk voorwerp volgens hen de voorkeur had van degene die keek.
De resultaten waren duidelijk. Wanneer een mens naar een object keek, concludeerden kinderen meestal dat die persoon dat voorwerp leuk vond of verkoos. Bij een robot maakten ze die koppeling veel minder vaak. Hoewel de kinderen wel zagen waar de robot naar keek, schreven ze daar geen duidelijke bedoeling of voorkeur aan toe.
Volgens de onderzoekers laat dit zien dat jonge kinderen menselijke blikken interpreteren als betekenisvolle sociale signalen. Ze gaan ervan uit dat er achter de blik gedachten, wensen of intenties schuilgaan. Bij een robot ontstaat die aanname veel minder vanzelfsprekend.
Opvallend genoeg beïnvloedde de blik van zowel mensen als robots de eigen voorkeur van de kinderen niet. De kinderen konden dus wel inschatten wat een ander waarschijnlijk leuk vond, maar namen die voorkeur niet automatisch over.
De onderzoekers denken dat dit belangrijke gevolgen heeft voor de ontwikkeling van sociale en educatieve robots. Een robot die alleen menselijke oogbewegingen nabootst, wordt door jonge kinderen nog niet gezien als een volwaardige gesprekspartner. Om echt natuurlijk over te komen zijn waarschijnlijk rijkere vormen van interactie nodig, zoals taal, gebaren, wederkerigheid en een gevoel van gezamenlijke aandacht.

Geen opmerkingen: